Deel 13 van de historie van het zendamateurisme

Deel 13 van de serie over de historie van onze zendhobby gaat over het kwijtraken van ruim 1/3 van onze oorspronkelijke 10 meterband, een gebeurtenis die samenvalt met het ontstaan van de 27 MHz citizensband.

Het initiatief voor een burgerband, radiocommunicatie voor familiegebruik en kleine bedrijven, gecombineerd met een mogelijkheid voor op afstand bestuurde vliegtuigen werd in de VS al in het laatste jaar van de oorlog 1945 genomen.

De oorspronkelijke CB-band liep van 460 tot 470 MHz. Er waren twee klassen van apparatuur, klasse A en klasse B. Klasse B hoefde aan minder hoge technische eisen te voldoen, maar had ook een kleiner frequentiebereik.

Pionier op dit gebied Alfred J Gross uit Canada was de eerste die met zijn speciaal hiervoor opgezette Citizens Band Corporation eind jaren 40 de eerste klasse B walkie talkies voor de band op de markt wist te brengen. Hij was een van de zeer weinigen die dat lukte.

Ondanks dat er enige apparatuur verkrijgbaar was, bleek de hoge frequentieband ook echt te hoog gegrepen voor de techniek van eind jaren 40 en begin jaren 50. De apparatuur was simpelweg te kostbaar voor gewoon familiegebruik. En de apparatuur was ook niet bepaald praktisch voor gebruik door de gemiddelde burger.

Senaatsleden wilden eind jaren 50 eigenlijk het gebruik van de citizensband die zo onsuccesvol was, weer beëindigen, maar desondanks werd op 11 september 1958 een klasse D voor de CB geïntroduceerd.

Voor die klasse D moesten de gelicentieerde amatereurs de onderste MHz van de 10 meter afstaan, en in een klein gedeelte van dat spectrum werden 23 kanalen voor klasse D CB-gebruikers ingericht. Tweeëntwintig van die kanalen zaten in het deel van die band dat eerder van de zendamateurs was, het 23ste kanaal werd toen gedeeld met radiobesturing van modelvliegtuigen.

Een groot deel van de band tussen 460 en 470 MHz werd vervolgens ingedeeld voor zakelijk gebruik en voor hulpverleningsdiensten. De klassen A en B zijn echter ook nu nog niet helemaal opgeheven. In de VS heb je twee systemen voor waar wij hier PMR446 hebben: Family Radio Service, FRS, en General Mobile Radio Service GMRS. De eerste is een rechtstreekse afstammeling van de originele klasse B citizens band, die met de beperkingen in frequentie en technische eisen, en GMRS is de erfopvolger van de oorspronkelijke klasse A CB.

In de jaren 70 werd er overigens opnieuw een amateurband in de VS door CB-gebruik bedreigd. Dat was toen er een voorstel werd gelanceerd om een nieuwe Klasse E voor CB in te stellen, wat ten koste zou gaan van de 220 MHz-band in de VS, de 1,25 meterband waar we het in het vorige deel al over hadden.

Het was trouwens met name de oliecrisis van 1973 die de 11 meterband zijn grote populariteit bezorgde.  Die oliecrisis zorge ervoor dat er een nationale maximale snelheid in de VS kwam van 55 mijl per uur. Truckers gingen hierdoor CB gebruiken om elkaar op de hoogte te stellen van plekken met speedtraps, door lokale sheriffs soms gemaakt om truckers in de val te lokken met te hoge snelheden, en ook werden via CB de plekken met de laagste brandstofprijzen gedeeld. Daarnaast werden de bakkies door de truckers gebruikt om actie te voeren of bij grote stakingen.

De populariteit bij de truckers bezorgde de bakkies een grotere algehele populariteit, die nog extra werd aangewakkerd door TV-series als de Dukes of Hazard uit 1979, en het gebruik van bakkies in films als Smokey en de bandit en Convoy uit respectievelijk 1977 en 1978. Ook kwamen de bakkies geregeld in popsongs in de VS voor.

Verder waren er in die tijd beroemdheden die op 27 MHz actief waren. De bekendste twee daarvan zijn ongetwijfeld first lady Betty Ford, echtgenote van president Gerald Ford, die de roepnaam First Mama gebruikte, en de bekende voice actor Mel Blanc, hier vooral bekend van de stem Fred Flinstone met als call Bugs of Daffie. De stemmen van Daffy Duck en Bugs Bunny werden inderdaad, net als Tweety Bird, Speedy Gonzales en nog veel meer, ook door Blanc verzorgd.

In de VS was aanvankelijk het gebruik van een roepnaam die op de vergunning vermeld stond verplicht. Iedereen negeerde deze verplichting echter, en gebruikte zelf verzonnen calls.

In de jaren 70 en 80 toen de citizens band op zijn populairst was, breidde dit initiatief zich over de hele wereld uit, waarbij in veel landen precies of bijna precies de kanalen uit de VS werden overgenomen. Soms met kleine verschillen, zoals in Polen, waar alle kanalen 5 kHz lager in frequentie zitten. Er zijn daarnaast ook landen met CB-banden op UHF of op 800 MHz.

Deel 12 van de historie van het zendamateurisme

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

Deel 12 van de serie over de historie van onze hobby gaat over onze amateurbanden. Tussen veel van de amateurbanden, maar ook bijvoorbeeld de vroegere scheepvaartbanden zit een harmonische relatie. 80 meter is de helft van 40 meter, 20 meter is daar weer de helft van en 10 meter ook.

Meerdere banden lijken wat dat betreft buiten de boot te vallen. In veel gevallen is daar een historische reden voor. Ook zijn er later banden bij gekomen waarbij die harmonische relatie deels is losgelaten. 15 meter is bijvoorbeeld zo’n buitenbeentje waarbij lang geleden van deze indeling is afgeweken.

Een historische reden om deze indeling los te laten was bijvoorbeeld de komst van de televisie op de lage VHF, we noemden dat eerder al. De populaire 5 meterband, eerst rond 56 MHz, later net onder de 60 MHz moest verdwijnen toen de BBC op kanaal 4 met uitzendingen begon. 5 meter is de helft van 10 meter, en past keurig in het lijstje.

Voor wie mocht denken dat het misgaat bij 2 meter, die komt zelf dus enigszins bekocht uit. Ook de 2 meterband is er later pas bij gekomen. Voor de oorlog hadden de amateurs de 2,5 meterband. Die begon boven 108 MHz. In de Tweede Wereldoorlog, toen het zendamateurisme nagenoeg overal verboden was, werd besloten om voor de geallieerde bommenwerpers de hoogste frequentie te gebruiken, waarvoor met de stand der techniek van toen nog betrouwbare apparatuur gemaakt kon worden. Dat was het bandje boven 108 MHz. Vele duizenden bommenwerpers werden er zo uitgerust met VHF-apparatuur voor die amateurband.

Na de oorlog was de wederopbouw, en werden de bommenwerpers vaak tot passagiersvliegtuig omgebouwd. Om in deze opbouwfase te voorkomen dat de radioapparatuur aan boord ook moest worden omgebouwd, werd ervoor gekozen om als luchtvaartband voor de civiele luchtvaart de band te kiezen waar de meeste vliegtuigen al op konden werken.

Hierdoor raakten de amateurs de 2,5 meterband dus kwijt, en daarmee ook de band die in het rijtje zo goed paste. Overigens is 144 MHz, de band die daarvoor in de plaats kwam ook niet slecht gekozen: de 70 cm-band ligt op de derde harmonische van de 2 meterband.

Ook de band die in golflengte de helft is van de 2,5 meterband is een amateurband. Ik heb niet kunnen vinden of de 1,25 meterband in Europa cq. Region 1 ooit legaal geweest is. In Caribisch Nederland dat net als de VS in Region 2 ligt, mag deze band dus wel door amateurs gebruikt worden. In megahertzen is dit dit 220 MHz.

70 cm is overigens weer (zij het bij benadering) weer de helft van 1,25 meter. In Region 2 waar de 70 cm-band aan de bovenkant tot 450 MHz loopt, klopt dit iets beter dan hier. In Region 2 is er trouwens ook nog een 33 cm-band, die weer de helft is van 70 cm. Deze 900 MHz-band is er echter kort na het jaar 2000 bij gekomen.

In het volgende deel van deze serie gaan we in op het kwijtraken van 1 MHz van de 10 meterband, de huidige 27 MHz-band die vroeger ook een amateurband was.

Deel 11 van de historie van het zendamateurisme

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

In de begintijd van de amateurzenders, zo rond de eeuwwisseling van 1900 dus, waren de tijdschriften gek op de amateurs. Ze kregen er niet genoeg van, en dus verscheen er een grote hoeveelheid artikelen. Ook verschenen er veel boeken over het nieuwe fenomeen zenden. Die boeken en artikelen beschreven vaak praktische details over hoe de apparatuur hiervoor kon worden gemaakt.

In januari 1898 verscheen een tijdschrift genaamd “The Model Engineer and Amateur Electrician” met een artikel van Leslie Miller met details over experimenten voor radioamateurs, inclusief een beschrijving van een basale zender en ontvanger.

Het artikel had als titel ¨Some Interesting Experiments for Amateurs¨, een paar interessante artikelen voor amateurs, en het begint met de tekst: “Toen amateurelektriciëns in de krant lazen dat in het parlement om een bedrag gevraagd werd om experimenten te kunnen uitvoeren met de apparatuur van marconi voor telegrafie zonder draden, en dat deskundig personeel bij de Britse post de middelen hiervoor, voor opvraag beschikbaar had, dachten deze amateurs waarschijnlijk dat dat soort testen ver buiten hun bereik lagen.

Miller beschrijft in het artikel dat dit zeker niet het geval was en dat radioamateurs, of zoals hij ze noemde radio-elektriciëns nog steeds mee konden doen, en zelf experimenten konden doen.

Miller publiceerde vervolgens meerdere artikelen in de latere edities van het blad, waarbij hij aangaf dat ook hij tot deze eerste radioamateurs behoorde.

Miller claimde echter niet de eerste te zijn, maar hij was zeker een van de eersten, of wellicht samen met de eerdere genoemde M.J.C. Dennis de eerste.

In Amerika begon de interesse met een artikel in juli 1899 in het blad American Technician, getiteld The Aparatus for wireless telegraphy, de apparatuur voor draadloze telegrafie, geschreen door professor Jerome J Green. In het artikel beschreef de professor tot in detail de apparatuur, benodigd voor een zender, een ontvanger die werkte door middel van een coherer, én de antenne.

Verder verscheen er een boek draadloze telegrafie en hertziaanse golven door S. Bottone met een uitgebreide uitleg van de benodigdheden, en van hoe een zender en een ontvanger konden worden gebouwd. Voor de ontvanger werd een glazen buis gebruikt, een paar kurken, ijzer en twee koperen draden. Het was met name dit boek dat de interesse bij het grote publiek voor het fenomeen radio en zendamateurisme in die tijd aanwakkerde.

Het is heel moeilijk vast te stellen wie nou echt die eerste radioamateur was. Volgens sommigen was Marconi de eerste radioamateur. Toen hij met zijn experimenten begon was hij namelijk zeker nog geen ondernemer. Anderen vinden weer dat Professor D.E. Hughes de eerste amateur was. Die maakte namelijk thuis een vonkzender, zonder dat hij echter wist hoe hij die signalen op een ontvanger op enige afstand weer kon detecteren. Of was het toch een van degenen die hiervoor in deze serie al genoemd werden?

Wat wel zeker is, dat is dat veel mensen aan het eind van de 19e eeuw begonnen met experimenteren. En dat de interesse hiervoor in die jaren en daarna sterk toenam. Eind jaren 90 van de 19e eeuw was wel het moment waarop onze hobby dus begon.

Deel 10 van de historie van het zendamateurisme

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

We zijn met deze serie aanbeland bij het midden van de vorige eeuw. Het kan echter geen kwaad om nog eens terug te gaan naar dat allereerste begin. Want wie was nou eigenlijk die eerste radioamateur? De site electronics.radio.com probeert die vraag te beantwoorden.

In de jaren kort voor 1900 werd er al druk geëxperimenteerd, daar begonnen we deze serie mee. Mensen waren zeer geïnteresseerd in dit nieuwe fenomeen van draadloos communiseren, en er vonden zelfs openbare demonstraties plaats. Deze demonstraties waren er mede de reden van dat er buiten de wetenschap ook privé-personen zich met deze materie bezig gingen houden. Dit waren de latere zendamateurs.

In de tijd dat er nog niets gereguleerd was, was er ook nog niet veel bekend. Ook wetenschappers worstelden vaak nog met hoe dat nou ging met die radiogolven, hoe het werkte, en vooral: waarvoor kun je het gebruiken?

Omdat iedereen zomaar een zender en ontvanger kon bouwen, en daarmee kon experimenteren deden mensen dat ook. Het is echter moeilijk om vast te stellen wie de eerste amateur was. Onder andere omdat er mede vanwege het ontbreken van vergunningen ook niets werd vastgelegd. En wanneer ben je een radioamateur? Als je alleen al uitzendt, of moet je daarvoor ook een verbinding hebben gemaakt?

Het eerste amateurradiostation dat op schrift bewaard is gebleven was dat van M.J.C. Dennis uit Londen. Dit was in 1898. Dennis hoorde over de experimenten van Marconi, en als gevolg daarvan bouwde hij zijn eigen station bij Woolwich Arsenal in Oost-Londen.

Dennis claimde dat hij het eerste niet-beroepsmatige radiostation wereldwijd was en bijgevolg zou je kunnen stellen dat hij de eerste radioamateur was. Er was niemand die bestreed dat hij dat was, wat zijn stelling nog wat extra kracht bij zet.

Dennis had later als call DNX. Nog later verhuisde hij naar Ierland waar hij onder de roepnaam EI2B werkte, waar hij bovendien de reputatie had dat hij ook de eerste zendamateur in Ierland was. M.J.C. Dennis was in zijn bestaan ook nog de eerste voorzitter van de Ierse amateurvereniging Irish Radio Transmitters Society, IRTS.

Deel 9 van de historie van het zendamateurisme

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

De historie van 70 MHz

Net voor en na de Tweede Wereldoorlog was een van de meest populaire amateurbanden de 5 meterband, in Engeland zowel als in Nederland. Voor de oorlog zat die band in Engeland rond 56 MHz.

Toen na de oorlog het zendamateurisme weer werd toegestaan was de 5 meterband, in Engeland toen tussen 58,6 en 60 MHz, al snel opnieuw heel populair. Dat duurde niet lang, omdat de band (nabij kanaal 4) in 1949 werd toegewezen aan de BBC voor televisie-uitzendingen. Vrijwel tegelijk werd de amateurband daarop zowel in Engeland als in Nederland ingetrokken.

In Nederland kwam daar geen compensatie voor. Amateurs verhuisden vermoedelijk naar 28 MHz en later naar 144 MHz. De RSGB in Engeland bleef echter lobbyen, en na zeven jaar in 1956 kregen zij voor de verloren gegane 5 meterband 4 meter terug, toen nog tussen 70,200 MHz en 70,400 MHz. Later werd dat van 70,000 – 70,500 MHz.

Zendamateurs in Nederland mochten overigens tijdens het IGY het international geophysical year waar we het vorige week ook over hadden overigens ook gebruik maken van de 70 MHz-band. Dat was echter een tijdelijke zaak. Waar de Engelsen de band mochten blijven gebruiken hield dat in Nederland weer op.

Decennia lang bleef het bandje vervolgens beperkt tot slechts enkele landen. Om die reden is er ook betrekkelijk weinig amateurapparatuur die standaard geschikt is voor 70 MHz.

Traditioneel werd er op 70 MHz, deels uit noodzaak, altijd meer zelfbouwapparatuur gebruikt dan op andere banden, en daarnaast werden veel omgebouwde mobilofoons gebruikt. Lange tijd waren het alleen het Verenigd Koninkrijk en Ierland waar amateurs 70 MHz mochten gebruiken en daarnaast Portugal, inclusief de Azoren en enkele Gemenebestlanden bij de UK.

Pas toen door het uit de lucht gaan van de analoge televisie in de meeste Europese landen de lage VHF vrij kwam, kwamen er schoorvoetend steeds meer landen bij met meestal een veel kleinere allocatie dan in het Verenigd Koninkrijk beschikbaar was.

Een hardnekkig gerucht is overigens dat defensie in Engeland de toewijzing voor de amateurs daar uiteindelijk mogelijk had gemaakt. Doordat de band in veel landen primair voor militaire communicatie gebruikt wordt, was de gedachte dat in het oostblok de uitzendingen van defensie wel door de amateurs uit Engeland overstemd zouden worden, terwijl er lokaal vanwege de skip-afstand geen storingen zouden plaatsvinden. Dit gerucht is overigens altijd door de Engelse overheid tegengesproken.

Opmerkelijk is dat het ondanks het ontbreken van repeaters, die zijn ook nu nog nergens op 4 meter toegestaan, het bandje altijd bijzonder populair is geweest. Voordelen boven 2 meter zijn onder andere het grotere bereik. Daarnaast ontbreekt bij mobiel gebruik net als op 50 MHz de QSB nagenoeg geheel, omdat op dit soort lage frequenties bijna geen sprake is van reflecties, en sowieso is de fading door mobiel gebruik vanwege de grotere golflengte veel trager. Verder gaan signalen op 70 MHz veel gemakkelijker dan hogere frequenties gewoon door de bebouwing heen, ook al doordat het niet gereflecteerd wordt en over lage heuvels en andere obstakels heen.

In de afgelopen jaren raakte onder andere door de komst van de goedkope Chinese portofoons de populariteit van deze band in Engeland nog verder in een stroomversnelling.

Sinds 1 januari 2012 hebben amateurs in Nederland dus de beschikking over een riante allocatie in deze bijzondere en zeer exclusieve amateerband. Die allocatie is als een van de weinige landen even groot als de Engelse. Aan de amateurs de taak om die band, zowel bij goede als bij slechte condities te gaan gebruiken. Door de ruime toekenning is er zeker genoeg plek voor lokale QSO’s zonder dat de DX-ers daarvan hinder zullen ondervinden.

(tekst: PA0ETE)

De historie van het zendamateurisme, deel 8

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

Vorig keer waren we in de periode voor en na de tweede wereldoorlog aangeland.

Inmiddels ben ik erachter dat ook in de VS, nadat ook tijdens de tweede wereldoorlog daar het zendamateurisme werd opgeschort, er een soort van oorlogsamateurvergunning bestond onder de naam War Emergency Radio Service, door de Amerikaanse overheid opgezet. Deze dienst bleef actief tot 1946.

Een tragische gebeurtenis uit de oorlog was ook de arrestatie van de Pools priester Maximilian Kolbe SP3RN door de Duitse bezetter.

De Duitsers gingen er onterecht vanuit dat Kolbe’s activiteiten betekenden dat hij betrokken was bij spionage. Hij werd om die reden op 28 mei 1941 op transport gezet naar Auschwitz.

In datzelfde jaar ontsnapten tien gevangenen uit Auschwitz. 10 gevangenen zouden vervolgens worden gedood als genoegdoening, cq. wraak. de priester en zendamateur vond daar de dood toen hij zich opwierp als vrijwilliger om de plaats van een van de veroordeelden in te nemen. SP3RN werd in 1982 heilig verklaard. Sint Maximilian Kolbe wordt binnen het Rooms Katholieke geloof sindsdien beschouwd als beschermheilige van de zendamateurs.

[pauze]

Na de oorlog kwam het zendamateurisme gaandeweg overal weer op gang en brak er een periode van een grote hoeveelheid beschikbare surplusapparatuur aan, die door amateurs dankbaar voor ombouw en gebruik op de amateurbanden werd gebruikt.

De gecombineerde 10 en 11 meterband liep in die tijd nog van 27 – 30 MHz. In 1947 raakten de amateurs de bovenste 300 kHz van die band kwijt, waardoor 10 meter ook nu nog 29,700 als bovenste bandgrens heeft.

Tijdens de jaren 50 vestigde zich het gebruik van enkelzijband bij amateurs, en raakten een aantal amateurs geïnteresseerd in ruimtevaart, bijv. door het in 1957 ontvangen van de signalen van de spoetnik. Amper 4 jaar na de lancering van de spoetnik, in 1961 hadden de amateurs al hun eigen satelliet, de Oscar 1.

[achtergrond, muziek Donald Fagan]

Belangrijk in de jaren 50 was verder het internationale geofysische jaar. In dat jaar zorgden amateurverbindingen er bijvoorbeeld voor dat Amerikaans marinepersoneel dat gestationeerd was in Antarctica met het thuisfront in contact kon komen. Telefoonverbindingen waren er nog niet, maar omdat Amerikaanse amateurs mochten phone-patchen, telefoonverbindingen voor derden verzorgen wat hier in Europa volkomen ondenkbaar was, konden zij die rol vervullen.

Dat internationale geofysische jaar dat duurde van 1 juli 1957 tot 31 december 1958 was voor amateurs net als andere aan de wetenschap gelieerde hobby’s en voor de wetenschap zelf natuurlijk een interessant jaar. Het IGY is ook bekend van het nummer van Donald Fagan Steely Dan’s IGY.

Het IGY markeerde het einde van een periode in de koude oorlog waarbij er tussen oost en west nagenoeg in het geheel geen interactie tussen wetenschappers plaats kon vinden. Tijdens het IGY werd ook de spoetnik gelanceerd.

Het IGY viel heel strategisch samen met de top van zonnevlekkencyclus nummer 19. En veel ontdekkingen tijdens dat jaar hadden met de ionosfeer en de ruimte rondom onze aarde te maken. De Van Allen stralingsgordels werden uitgevonden, maar ook dingen als de voor aardbevingen zeer belangrijke dynamiek tussen de tektonische platen.

Onderzoeksdoelen van het IGY waren: aurora, nachtelijk hemellicht, kosmische stralen, aardmagnetisme, zwaartekracht, fysica van de ionosfeer, precisie navigatie, meteorologie oceanografie, seismologie en zonneactiviteit.

Er deden 67 landen mee.

In het volgende deel de historie van de 70 MHz-band, die nauw verband houdt met het IGY.

De historie van het zendamateurisme, deel 7

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

Vandaag deel 7 van de historie van onze zendhobby.

In mei 1940 breekt opnieuw een belangrijke periode aan voor het Nederlandse radio-amateurisme. Er is grote behoefte aan kennis om het door de Duitse bezetter door middel van een luisterverbod, stoorzenders, en vanaf 1943 de verplichte radiotoestel-inlevering geblokkeerde oorlogsnieuws van Radio Oranje te kunnen beluisteren.

Ook tijdens de bezetting blijven onder Corvers verantwoordelijkheid artikelen in Radio Expres verschijnen. Artikelen waarin behoedzaam onder andere het zelfbouwen van toestelletjes voor het beluisteren van Radio Oranje op de kortegolf en kristalontvangers (belangrijk tijdens de stroomloze periode aan het einde van de bezetting) wordt besproken.

Radio Expres krijgt aan het einde van 1943 een verschijnings-verbod opgelegd; het blad verschijnt pas weer in augustus 1945. Na de oorlog blijft Corver nog enige tijd ‘journalistiek medewerker’ van het Tijdschrift voor Radio Techniek Rens en Rens.

Corver is een fervent voorstander van een politiek en religieus neutrale radio-omroep. In dit kader vervult hij tussen 1928 en 1953 een aantal bestuursfuncties bij de AVRO; laatstelijk als algemeen secretaris.

Corver is daarnaast van 1930 tot 1934 voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Radioamateurisme geweest, en een tijdlang bestuurslid van het Wetenschappelijk Radiofonds Veder. Tot zijn overlijden vertegenwoordigde hij de AVRO tevens in de Raad van Beheer van de NOZEMA.

Het is bijzonder hoe in de vooroorlogse periode radio-omroep en zendamateurisme nauw met elkaar zijn verweven. Dit geldt met name voor de omroepen AVRO en VARA. Zelf ben ik vermoedelijk voor het eerst met het radiovirus besmet geraakt door de wekelijkse columns van AVRO-oprichter Willem Vogt in de AVRO-bode in de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig. Die columns van 1 kolom breed gingen niet alleen over het begin van de radio-omroep en over zendamateurisme uit de begintijd, maar ook over astronomie, zwarte gaten en verafgelegen sterrenstelsels. Als tiener smulde ik werkelijk van die colums.

De technische nalatenschap van Jan Corver omvat een honderdtal objecten van wetenschappelijk en historisch belang. Deze vormen de zgn. Corvercollectie en maken deel uit van de Historische Collecties van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. De collectie staat (nog steeds) opgesteld op de experimenteertafels van het RE-laboratorium in het depot van het Instituut voor Beeld en Geluid. Deze collectie is al eerder uitgebreid onderzocht en beschreven. Tijdens deze research, die zich over een tiental jaren uitstrekt, maakt de enorme hoeveelheid werk die Corver heeft verzet en de accuratesse waarmee en het niveau waarop hij dit heeft gedaan diepe indruk.

Zaken van Jan Corver, nu in het bezit van Beeld en Geluid zijn

Het Draadloos Ontvangstation voor den AMATEUR, Den Haag (1915).

Het Draadloos Amateurstation voor Ontvangst van Telegrafie en Telefonie, derde druk, Den Haag (1922).

Het Draadloos Zendstation voor den Amateur (telegrafie en telefonie), tweede druk, Den Haag (1923).

Het Draadloos Amateurstation voor de Ontvangst van Telegrafie en Telefonie, Deel I en II, achtste druk, Den Haag (1928).

Het Super-Heterodyneboek, Den Haag (1936).

Radio-Ontvangtechniek, Den Haag (1939).

Radio door Zelf Doen, Bussum (1946).

Amateurs speelden een belangrijke rol in het verzet. Diverse daarven lieten tijdens de oorlog het leven. Ik ga in dit gedeelte van de historie hier niet heel diep op in, misschien later in dit item nog, maar bijvoorbeeld de hiervoor genoemde Steringa Idzerda, de grondlegger van de omroep-uitzendingen was ook in het verzet actief. Tragisch genoeg was het zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid waardoor hij het leven liet voor een Duits vuurpeleton.

In november 1944 ging Idzerda in Wassenaar op zoek naar de restanten van een bij de lancering ontplofte V2-raket, die daarvandaan in die periode werden afgevuurd. Hij werd daarbij betrapt, maar werd door de Duitse legerpatrouille die dat deed gewoon weg gestuurd.

Idzerda kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en werd later door dezelfde patrouille opnieuw betrapt, en omdat hij op dat moment restanten van de raket in zijn bezit had, dachten de Duitse militairen dat hij een spion was. Enkele weken later werd hij doodgeschoten.

[pauze]

In de meeste landen werd tijdens de Tweede Wereldoorlog onze hobby verboden. Dat was ook in Nederland onder de bezetter uiteraard het geval.

In Duitsland konden vanaf 1924 verenigingen een experimenteervergunning krijgen. Individuele amateurs kregen geen vergunning, en dat leidde ertoe dat de meeste amateurs in die tijd als illegale amateur opereerden. Daar kwam nog bij dat AM in die tijd steeds populairder werd, maar de verenigingsvergunningen stonden alleen morsetelegrafie toe. In 1933, hetzelfde jaar dat ook Hitler aan de macht kwam werd het in Duitsland ook mogelijk om zogenaamde zendvergunningen voor radiovrienden te krijgen. Vergunningen dus voor personen. Dat aantal groeide tot 600 in het jaar 1939.

Ik heb dat niet met zekerheid kunnen achterhalen, maar vrijwel zeker werden die vergunningen aan het begin van de oorlog ingetrokken.

In elk geval werden er in 1939 vanaf het begin van de oorlog in Duitsland zogenaamde Kriegsfunksendegenehmigungen uitgegeven. Amateurvergunningen tijdens oorlogstijd dus. Ik had daar nog niet eerder van gehoord. Het waren er niet veel. Aan het einde van de oorlog waren er 100 van deze Kriegsfunksendegenehmigungen.

De historie van het zendamateurisme, deel 6

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

Vandaag een extra lange aflevering van de historie van onze zendhobby in Nederland en daarbuiten.

Deze serie is een eigen productie, bij elkaar gescharreld vanuit een steeds groter wordende groep bronnen, waaronder Wikipedia, Instituut Beeld en Geluid, eerder eigen onderzoek en een groot aantal door mij gelezen boeken en tijdschriftartikelen.

Vandaag deel 6 deze serie die wat dieper ingaat op het leven van Jan Corver, in Nederland een van de grondleggers van onze hobby.

De volgende tekst, die ik als onderdeel van de serie over de historie van het zendamateurisme gebruik is grotendeels afkomstig van het instituut beeld in geluid. De tekst is enigszins herschreven en aangevuld.

Jan Corver bezocht na de Middelbare school de Zeevaartschool.

Hij gaat echter niet de richting van de zeevaart uit, maar werdin 1897 journalist bij de Leeuwarder Courant. Zijn werkterrein bestond daar uit het verslaan van Rechtbankzaken en vergaderingen van Gemeenteraden en de Staten Generaal.

In 1908 werd hij Redacteur van de Tachygrafische Inrichting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze dienst had tot taak om de discussies van een vergadering van de Tweede Kamer samen te vatten in een kort verslag.

Dit verslag verscheen in die tijd nog dezelfde dag in druk en werd aan abonnees toegestuurd. De dienst werd overigens in 1924 wegens bezuinigingen opgeheven. Corver is dan inmiddels directeur geworden en eindigde zijn dienstverband met een wachtgeldregeling en een onderscheiding: Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

De dan in Den Haag woonachtige Corver voelt zich aangetrokken tot de Natuurwetenschappen en wordt lid van de Nederlandsche Vereeniging voor Weer en Sterrenkunde.

De ‘Afdeeling ‘s-Gravenhage en Omstreken’ omvat een 17-tal actieve leden (‘de lustige meteorologen’) waaronder de latere PTT-ingenieur en radioamateur van het eerste uur A.H. de Voogt.

Corver raakte daar gebiologeerd door de morsetelegrafie gebiologeerd. Hij legde zich, samen met een klein groepje geestverwanten toe op het construeren van ontvangstapparaten voor draadloze telegrafie.

In het Kerstnummer van het weekblad ‘Panorama’ van 1913 schrijft Corver een artikel over de bereikte resultaten. Het artikel levert een groot aantal reacties op van amateurs uit het hele land.

Kenmerkend is, dat deze meestal maatschappelijk goed gesitueerde amateurs alle benodigde apparatuur en antennes zelf maken. Ze gebruikten daarvoor in de regel alledaagse materialen, zoals gordijnroeden, dassenknijpers, bezemstelen, fietsbinnenbanden enz.

Aangemoedigd door het succes schreef Corver in 1915 zijn eerste radioboek: Het Draadloos Ontvangstation voor den Amateur. Gedurende de periode 1914 – 1915 verzorgde hij de rubriek ‘Draadloze Telegrafie’ in het verenigingstijdschrift Hemel en Dampkring.

Tot eind 1919 betekent ontvangst van draadloze signalen het luisteren naar morsetekens. In Den Haag is een groepje dat zich bekwaamt in het sounderen, dat wil zeggen het op het gehoor opnemen van morsetekens, zoals dat toen heette.

Leden naast Corver zijn: L.A. Bakhuis, referendaris van het Ministerie van Koloniën; T.E.W. Dompseler, oud zeeofficier; F.A. Koch, architect; O.P. Koch, tandarts van H. M. koningin Wilhelmina, en de bekende Hanso Henricus Schotanus à Steringa Idzerda (fabrikant), die in Nederland beschouwd wordt als grondlegger en uitvinder van de radioomroep. Laatstgenoemde fungeert als ‘voorseiner’.

Door de groep amateurs uit Den Haag werden draadloze communicatieproeven over afstanden van enkele kilometers met kleine transportabele zendontvangertjes in het vrije veld worden ondernomen.

In de weekeinden brengt een Huppmobil, een Amerikaanse automerk dat tussen 1909 en 1941 bestond, met kenteken H4227 de deelnemers diep in de duinen bij Den Haag of tijdens vakanties naar de Veluwe. Daar werd dan gekampeerd. De experimenten betreffen onder andere de richtwerking van lange over de grond uitgelegde draadantennes. Een opmerkelijk clublid is mevrouw D.C. Koch-Lebret; ‘een in het seinen bedreven dame’.

Eerder genoemde Idzerda heeft in die tijd een Radio-Technisch bedrijf. Begin 1916 ontwerpt en levert hij aan de militaire autoriteiten een richtingszoeker. Hiermee kunnen, terwijl de Eerste Wereldoorlog om Nederland heen woedt, langs de kust passerende Duitse Zeppelins worden getraceerd.

Deze productie leidt tot een contact met de Rotterdamse bankier en radio-amateur Veder, en tot het tot stand komen op 19 maart 1916 van de Nederlandsche Vereeniging voor Radiotelegrafie (NVVR).

Deze vereniging omvat zowel amateurs als professionele radiotechnici. Corver is tot 1918 secretaris van de NVVR. De vereniging vindt voor haar publicaties voorlopig onderdak bij het ‘Maandblad voor Telegrafie en Telefonie’. Corver publiceert hierin een aantal radiotechnische artikelen. In 1918 krijgt de NVVR haar eigen maandelijkse tijdschrift Radio Nieuws. Corver is van 1918 tot 1935 redacteur van dit maandblad.

Op 6 november 1919 zendt collega en radio-amateur Hanso Idzerda vanuit een geïmproviseerde studio in Den Haag een radioprogramma uit: een Europese en een wereldprimeur. Tevoren heeft hij in de Nieuwe Rotterdamse Courant het muziekprogramma aangekondigd. De groep van luisteraars naar de P.C.G.G.-zender wordt gevormd door een duizendtal radioamateurs. Het unieke van de uitzendingen van Steringa Idzerda was dat het een uitzending op een geregeld tijdstip betrof dat bovendien van tevoren werd aangekondigd.

In de periode 1917-1922 gaf Jan Corver lezingen met demonstraties voor plaatselijke afdelingen van de NVVR (Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Den Bosch, Arnhem, Nijmegen en Beverwijk). De apparatuur hiervoor werd door hemzelf gebouwd en, het waren destijds geen kleine apparaten, per trein vervoerd!

Groot succes boekt hij met de demonstratie van het radiotelefoniesysteem Idzerda. Zender en ontvanger werken beide met een raamantenne en staan in dezelfde zaal opgesteld. Als dat mogelijk is wordt bij de demonstraties ook de ontvangst van de PCCG-uitzendingen van uit Den Haag ten gehore gebracht.

In maart 1923 verschijnt het weekblad Radio Expres (‘de Sneldienst’ van Radio Nieuws). Corver blijft tot 1948 als redacteur verbonden aan dit blad. Radio Expres (RE) volgt de ontwikkelingen van de radiotechniek op de voet en verwerft zich de reputatie van grote betrouwbaarheid. Het aan het blad verbonden ‘RE-laboratorium’ is hiervoor de basis.

Corver en enkele medewerkers beproeven hier de in RE te publiceren schakelingen.

De laboratorium-apparatuur hiervoor is grotendeels zelfbouw op basis van afgedankte radio-ontvangers van de eerste generatie.

Tijdens de in de jaren dertig heersende economische malaise wordt het zelfbouwen van radio’s voor velen een bittere noodzaak. Radio Expres voorziet in de hiervoor benodigde kennis. Corvers demonstratie voor de Nederlandse Dagblad Pers in juli 1930 van de ontvangst van experimentele televisiebeelden uit Engeland vormt ongetwijfeld het grote hoogtepunt in de bestaansduur van het blad.

De historie van het zendamateurisme, deel 5

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

Afgelopen vrijdag was er iemand die vroeg of SSB niet een Collins patent was.

Ik heb dat even opgezocht.

Het eerste patent in de VS voor SSB-modulatie was toegekend op 1 december 1915 aan John Renshw Carson.

Carson die eerder docent bij MIT en Princeton, werkte op dat moment voor AT&T.

In 1922 publiceerde hij ook de wiskundige onderbouwing voor FM, inclusief de zogenaamde Carson Bandwidth Rule, waarmee de bandbreedte van een FM-signaal in een telecommunicatiesysteem kan worden berekend.

De Amerikaanse marine experimenteerde voor het begin van WW1 met SSB. De eerste keer dat de modulatie commercieel gebruikt werd was bij een telefoonverbinding op de langegolf op 7 januari 1927.

SSB werd daarnaast gebruikt in lange-afstandstelefoonlijnen, als onderdeel van een techniek voor Frequency Devision Multiplexing in de jaren 30.

Amateurs begonnen na de tweede wereldoorlog serieus met SSB te experimenteren. Dat wekte de interesse van het Strategic Air Command, die in 1957 SSB voor de communicatie van hun vliegtuigen tot de standaard maakte. Die beslissing is waarschijnlijk weer de aanleiding dat SSB nu voor de meeste kortegolfverbindingen, amateur of professioneel gebruikt wordt.

We gaan nu terug naar de historie tussen de beide wereldoorlogen.

De amateurs zijn internationaal altijd heel goed georganiseerd geweest. Om die reden kregen amateurs ook voor elkaar dat er internationaal erkenning was. Een belangrijke mijlpaal in dezen was de oprichting van de IARU in 1925. IARU is een internationale organisatie van amateurverenigingen. Per land is er één organisatie lid.

Sinds de conferentie in 1927 waar ook de eerste amateurbanden en de amateurroepnamen werden vastgesteld, doen de zendamateurs ook mee aan internationale radioconferenties en geldt de amateurdienst een gelijkwaardige radiodienst aan andere ethergebruikers.

De eerste keer dat amateurs in de wet verankerd waren was in 1904 in Engeland.

Ik heb nog niet kunnen vinden hoe dat in Nederland ging. In Nederland werd in 1905 de telegraaf- en telefoonwet van kracht die in Nederland alle verkeer via de radio en ook een deel van het verkeer via kabels aan banden legde.

Vanaf dat moment was in Nederland voor iedere zender een vergunning nodig. Ook luisteramateurs vielen onder die verguningplicht.

In 1913 was het de bekende radio pionier Jan Corver, bekend van het radioamateurmuseum, die aan minister Lely demonstreerde hoe eenvoudig het was om de radiosignalen uit de lucht te plukken.

Dat leidde er toe dat in het voorjaar van 1914 werd besloten dat de vergunning voor luisteramateurs vanaf dat moment in Nederlland gratis zouzijn. alleen als een luisterantenne minder dan 1500 meter vanaf een rijkskuststation geplaatst was, of als hij hoger was dan 30 meter was een vergunning nodig.

De vrijstelling duurde echter niet heel lang. In 1917 kwam er weer een algeheel verbod vanwege de eerste wereldoorlog.

De historie van het zendamateurisme, deel 4

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

We waren gebleven bij de QSO’s over de verschillende oceanen en de pogingen daartoe in de eerste helft van de jaren 20.

Het was een tijd dat er nog geen amateurmachtigingen waren. Je mocht gewoon zenden, voor 1912 zelfs op alle banden, en vanaf ongeveer 1912 op alle frequenties boven de 1500 kHz. Ook mocht je zelf je roepnaam verzinnen. Er waren wel wat conventies, Nederlandse amateurs gebruikten de P aan het begin van hun roepnaam.

De internationale QSO’s trokken ook de aandacht van de overheden, en zorgden er uiteindelijk voor dat de International Radio Conference plaatsvond in Washington in 1927 en 1928. Die conferentie legde niet alleen de grondslag voor hoe onze huidige prefixen en de rest van de amateurroepnamen eruit zien. Ook werden de eerste amateurbanden vastgesteld: 80/75 meter, 40 meter, 20 meter en 10/11 meter.

Veel mensen denken overigens dat SSB, dat vooral in de jaren zestig bij de amateurs ingeburgerd raakte een uitvinding van na de oorlog is, maar dat is niet zo.

Al in 1933 begon Robert Moore, W6DEI met enkelzijband te experimenteren in de 75 meterband. Tegen 1934 waren er al diverse amateurs in de VS QRV met deze mode.

De historie van het zendamateurisme, deel 3

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

We waren gebleven bij de International Convention for the Safety of Life at Sea in 1913, die naar aanleiding van de ramp met de Titanic werd gehouden, en het Amerikaanse besluit uit 1912, later door veel andere landen gevolgd, dat de amateurs alle golflengtes korter dan 200 meter mochten gebruiken omdat die toch onbruikbaar werden geacht.

In 1914 brak de eerste wereldoorlog uit, en gaandeweg kwam in de hele wereld de zendhobby tot stilstand. In de VS werd rond 1917 door het Amerikaanse congres bevolen dat alle zendamateurs (die daar dus nog steeds mochten zenden zonder vergunning) hun activiteiten moesten stoppen, en hun zendinstallaties moesten ontmantelen.

Het duurde na het einde van de eerste wereldoorlog in 1918, in sommige landen the great war genoemd, nog lange tijd voordat de amateurs weer mochten beginnen. In de VS was het op 1 oktober 1919 zover.

De periode daarna maakte de zendamateurhobby een grote bloei door. In Nederland waren er in de periode tussen de beide oorlogen zelfs radioamateurs die mobiel waren met amateurtelevisie. Dat gebeurde overigens op bijzonder lage frequenties met een mechanisch systeem en een zogenaamde nipkow-schijf. De BBC zond in die jaren met hetzelfde systeem televisie uit in de middengolf, met op de ene AM-zender het beeld dat van een nogal lage resolutie was, en op de andere AM-zender het geluid.

Niet alleen de amateurs sloegen aan het zelfbouwen, maar de gewone man die geen kant en klare radio’s kon betalen, maakte zijn radio vaak zelf. In Nederland stamt de naam van de VARA uit die periode, de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs. Vara-leden konden vanaf de jaren 20 gratis of tegen gereduceerde prijs bouwpakketten voor radio’s kopen die de leden zelf met de soldeerbout in elkaar moesten zetten. Een van die toestellen had de naam de Varadyne, naar het woord heterodyne.

Het begin van de jaren 20 stond enerzijds in het teken van de uitvinding van het omroepstation, waarbij zowat ieder westers land in de veronderstelling is dat één van haar bekend geworden inwoners de omroep zou hebben uitgevonden. Anderzijds waren er de pogingen van zowel Amerikaanse als Engelse amateurs om met een amateurzender de grote oceaan te kunnen overbruggen. Het lukte Amerikaanse amateurs het eerst om in Engeland gehoord te worden. In december 1923 werden de eerste Engelse amateurs ook in de VS waargenomen. Het eerste trans-Atlantische tweeweg-gesprek tussen twee zendamateurs vond plaats op 27 november 1923 tussen de Amerikaanse amateur Fred Schell, en de Franse amateur Leon Deloy. Een maand later vond het eerste contact tussen Engeland en de VS plaats.

In de maanden daarop lukte het 17 Amerikanen, en 13 Europeanen om soortgelijke amateurverbindingen te maken. Het jaar erop werd gemarkeerd door de eerste verbinding tussen Noord- en Zuid-Amerika, tussen Zuid-Amerika en Nieuw-Zeeland, en Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland, en vervolgens ook tussen Londen en Nieuw-Zeeland. Dat alles rond ongeveer 1925.

De historie van het zendamateurisme, deel 2

(zoals de afgelopen weken uitgezonden)

Hele serie lezen: klik hier.

Deel 2 van de historie van onze hobby begint waar deel 1 eindigde: bij de eerste commercieel verkrijgbare amateur zender-/ontvangercombinatie. Er is niet veel méér over bekend dan dat het een losse zender en ontvanger voor telegrafie betrof. En dat hij te koop was in de VS in 1906. Doelgroep waren amateurs en experimenteerders.

De eerste amateurclub ontstond in 1908 aan de univeriteit van Columbia waar studenten de Wireless Telegraph Club of Columbia University vormden. Deze eerste amateurvereniging bestaat nog steeds en heet nu de Columbia University Amateur Radio club.

De eerste landelijke amateurvereniging ontstond in 1910 in Australië, de Wireless institute of Australia, ofwel WIA. Ook die bestaat nog steeds. Regelmatig zijn in de Daily Minutes delen van de uitzendingen van de verenigingsznder van de WIA, VK1WIA toe horen.

Vanaf 1910 ontstond er een ware wildgroei aan amateurinitiatieven, zodanig dat er problemen ontstonden door onbedoelde of bedoelde storingen aan de uitzendingen die door militairen en door bedrijven werden gedaan, veroorzaakt door die amateuractiviteiten.

Er was immers nog niets geregeld. Net als de eerste auto’s vaak ongelukken kregen of veroorzaakten door het compleet ontbreken van verkeersregels, veroorzaakte het gebrek aan regels in de ether ook daar bedrijfsongevallen. Een andere belangrijke oorzaak van de storingen door amateurs was dat er door amateurs op grote schaal nog vonkzenders werden gebruikt, waarvoor de term breedbandig een geweldig eufemisme is.

Het zinken van de Titanic had vervolgens grote gevolgen. Los van de tragedie die deze ramp natuurlijk was. Het zinken van de Titanic wordt door velen gezien als de directe aanleiding voor het ontstaan van de amateurvergunningen.

In hetzelfde jaar dat de titanic zonk, in 1912 nam het congres in de VS een wet aan, de Radio Act of 1912, die het aan amateurs verbood om op golflengtes langer dan 200 meter uit te zenden. 200 meter is gelijk aan 1500 kHz, bovenaan onze huidige middengolf. De reden hiervoor was dat alle frequenties boven 1500 kHz in 1912 als waardeloos, of op zijn minst commercieel waardeloos werden beschouwd.

Het gevolg van de invoering van de nieuwe wet was dat meteen daarna het aantal amateurs die met zenders experimenteerde in de VS met 88% daalde.

De meeste andere landen volgden de VS met deze regel, en in 1913 werd de International Convention for the Safety of Life at Sea gehouden, de internationale conventie voor de veiligheid van het leven op zee. Hier werd onder andere besloten tot een internationaal verdrag waarin het verplicht werd dat de radioapparatuur aan schepen 24 uur per dag zou worden bemand. Adequate hulp bij de Titanic bleef onder andere uit doordat een schip dat niet ver uit de buurt van de Titanic lag, de noodsignalen niet opvolgde omdat de marconist aan boord van dat schip was gaan slapen.

Overigens was vóór 1912 de telegrafie-apparatuur aan boord van sommige schepen daar alleen uit commerciële motieven, en in het geval van een schip als de Titanic voor gebruik door de rijke passagiers aan boord. Het verhaal gaat dat toen het schip al zonk, sommige passagiers nog eisten dat hun berichten vóór gingen op de noodsignalen van het schip.